Voorwoord

In het afgelopen jaar hebben zich tal van veelbelovende en opwindende ontwikkelingen voorgedaan in het wetenschappelijke werkveld van de COGEM. Genetische modificatie van immuuncellen om met name bloedkankers te bestrijden lijkt succesvol en biedt daarmee hoop voor patiënten waarbij de gangbare behandelingsmethoden onvoldoende aanslaan. Ook de succesvolle ingreep bij een zevenjarig jongetje met een levensbedreigende genetische huidaandoening trok veel media-aandacht. Voor de behandeling werden huidstamcellen genetisch gemodificeerd om het defect te repareren, en gebruikt om in het laboratorium vellen tot honderdvijftig vierkante centimeters groot te kweken die vervolgens getransplanteerd konden worden. Twee jaar na de ingreep is tachtig procent van de huid vervangen met genetisch gemodificeerde huidcellen en lijkt het jongetje een normaal leven te kunnen leven. Intussen zet CRISPR-Cas als ‘genome editing’ instrument zijn opmars in de levenswetenschappen onverminderd voort, waarbij bijna wekelijks nieuwe toepassingen worden gepubliceerd.

Genetische modificatie in Nederland beperkt zich hoofzakelijk tot planten, micro-organismen en medische en veterinaire toepassingen. De discussie over de wenselijkheid van genetische modificatie in Europa spitst zich vanouds toe op toepassingen in de landbouw. Echter tijdens het door de COGEM in oktober 2017 georganiseerde tweedaagse symposium ‘Gene Edited Animals; Applications and Implications’ bleek dat met name buiten Europa voluit geëxperimenteerd wordt met dieren. Genetische modificatie en vooral ‘gene editing’ van dieren wordt gezien als een middel om de veestapel te verbeteren, nieuwe ziektemodellen te ontwikkelen, organen voor xenotransplantatie te verkrijgen, uitgestorven diersoorten terug te brengen, of om invasieve exoten te bestrijden. Deze ontwikkelingen roepen vragen op over onder meer ethische en maatschappelijke toelaatbaarheid, regelgeving en ‘governance’. Op termijn zal ook Nederland geconfronteerd worden met de vragen die de nieuwe mogelijkheden om het genoom van dieren aan te passen met zich meebrengen, waarbij het aloude vraagstuk van de relatie tussen mens en dier centraal staat.

Dat biotechnologie en genetische modificatie springlevend zijn en een nog immer uitdijend onderzoeksveld vormen, blijkt ook uit de dagelijkse praktijk van de COGEM. In 2017 heeft de COGEM wederom een record aantal adviezen en signaleringen uitgegeven. Opvallend was daarbij het grote aantal verzoeken om organismen op pathogeniteitsklasse in te delen. Dit betekent dat het aantal verschillende organismen waarmee in laboratoria wordt geëxperimenteerd, of waarvan genen worden gebruikt, steeds verder toeneemt. Vooralsnog lijkt er geen eind aan deze groei in zicht. De toenemende activiteiten en de daar mee gepaard gaande groei in vergunningaanvragen, roept ook de vraag op of de veiligheidsmaatregelen in laboratoria nog wel up-to-date of mogelijk deels onnodige ‘overkill’ zijn. Immers ontsnappingen van ggo’s door besmetting van laboratoriummedewerkers lijken zich wereldwijd niet voor te doen. Samen met het BVF-platform heeft de COGEM daarom begin 2017 het symposium ‘Challenges in Evidence‐Based Biosafety’ georganiseerd. Een belangrijke conclusie van dit symposium was dat veiligheid niet gezocht moet worden in meer regelgeving en meer en steeds duurdere technische maatregelen, maar in de training van personeel. Incidenten met ziekteverwekkende organismen in laboratoria blijken in bijna alle gevallen terug te voeren tot menselijk falen of onoplettendheid.

De toename in adviezen stelde de COGEM ook voor uitdagingen. Zoals ik in eerdere jaren al heb gemeld, opereert de COGEM op de toppen van wat met de huidige middelen mogelijk is. Desondanks is de COGEM in staat om nagenoeg alle adviesvragen binnen de zeer korte deadlines te beantwoorden. Ik wil dan ook de leden hierbij bedanken voor hun niet aflatende inzet en bereidheid om op stel en sprong tijd vrij te maken voor vragen aan de COGEM.

Prof. dr. ing. Sybe Schaap
Voorzitter COGEM