Verkenningen voor veranderingen

Symposia

In 2017 heeft de COGEM twee symposia georganiseerd. Hoewel de onderwerpen van deze symposia op het eerste gezicht ver uit elkaar staan, hebben ze onder meer als gemeenschappelijke noemer de vraag of de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen in het werkveld en de huidige regelgeving en voorschriften voor het omgaan met ggo’s nog op elkaar aansluiten.

Op 19 januari 2017 organiseerde het Nederlandse BVF-platform en de COGEM de internationale bijeenkomst “Challenges in Evidence-Based Biosafety”. Het thema van deze bijeenkomst was bioveiligheid in laboratoria. Centraal stonden de vragen; Hoe effectief zijn de momenteel beschikbare maatregelen ter voorkoming van ongevallen met ziekteverwekkers en ggo's? En is het mogelijk om beslissingen te baseren op een meer met wetenschappelijke feiten onderbouwde (‘evidence-based’) benadering?

Bioveiligheid is een prioriteit bij het werken met zowel pathogene als ggo's. Al vroeg werd erkend dat werkzaamheden met ziekteverwekkers inherente risico's met zich meebrengt en dat er veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen. De eerste veiligheidsmaatregel, het gebruik van chloorhoudende kalkoplossingen voor handenwassen door medici, stamt al uit 1847. Tegenwoordig zijn wereldwijd uitgebreide reeksen voorschriften en maatregelen van kracht om de veiligheid van laboranten, de volksgezondheid en het milieu te garanderen. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat de opgelegde inperkingsmaatregelen en werkinstructies zeer effectief zijn. Incidenten met ziekteverwekkende organismen in laboratoria zijn uiterst zeldzaam en incidenten met ggo's lijken zelfs afwezig te zijn. Het bewijs voor de effectiviteit van de toegepaste bioveiligheidsmaatregelen is echter niet altijd duidelijk of ontbreekt zelfs. Enerzijds kan daardoor gesteld worden dat de afwezigheid van incidenten duidt op een overkill van veiligheidsmaatregelen die hoge kosten met zich meebrengen en een onnodige last vormen die de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen belemmert. Anderzijds zijn de technologische en wetenschappelijke mogelijkheden om de pathogeniteit van organismen te wijzigen sterk toegenomen. Vragen over de veiligheid van dit soort onderzoek worden gesteld door het grote publiek, beleidsmakers en de politiek. Niet zelden klinkt een roep om een strenger bioveiligheidsbeleid en verdere internationale harmonisatie en afstemming van regelgeving.

Mede om deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid te bespreken is in het symposium door internationale sprekers ingegaan op de effectiviteit van inperkingsmaatregelen, de omvang van incidenten en ongevallen in biowetenschappelijk onderzoek, de lessen die uit deze incidenten kunnen worden getrokken en de verschillende (internationale) perspectieven op bioveiligheid. Dit teneinde de huidige uitdagingen in evidence-based bioveiligheid te identificeren en te evalueren. Eén van de conclusies van het symposium was dat verhoging van de veiligheid niet gezocht moet worden in steeds beter beveiligde en duurdere laboratoriumfaciliteiten, maar in training en bewustwording van personeel. Incidenten blijken namelijk in het overgrote deel van de gevallen terug te voeren tot vermijdbare menselijke fouten.

Het tweede symposium “Gene Editing in Animals, Applications & Implications” vond plaats op 19 en 20 oktober 2017 in Rotterdam. Het eerste genetisch gemodificeerde dier, een muis, werd in 1981 geproduceerd. In de jaren daarna ontstond een levendig publiek en wetenschappelijk debat over de risico's en ethische implicaties. In Nederland en veel andere Europese landen is strikte regelgeving ingevoerd en genetische modificatie van dieren, anders dan voor medisch onderzoek, is wereldwijd op een laag pitje komen te staan. Commerciële toepassingen zijn wereldwijd nauwelijks van de grond gekomen. De nieuwe tools voor zogenaamde genome-editing, zoals CRISPR / Cas9, bieden echter nieuwe mogelijkheden voor het aanpassen van het genoom van dieren die aanzienlijk verder lijken te gaan dan die van de eerdere modificatietechnieken. De nieuwe genome-editing technologieën hebben het potentieel om de productiviteit van belangrijke landbouwhuisdieren te vergroten, ziekteresistentie in het vee te introduceren, uitgestorven diersoorten terug te brengen, ecosysteemaanpassingen aan te brengen door exotische invasieve soorten uit te roeien, of betere diermodellen voor menselijke ziekten en om menselijke organen voor transplantatie te ontwikkelen. Maar hoewel toepassingen van genome-editing veelbelovend zijn, roepen ze ook vragen op over governance en maatschappelijke en ethische kwesties. Eén van de vragen die tijdens het symposium naar voren kwam was of de overheid, gezien de nieuwe mogelijkheden, de vaak strikte regulering van diermodificatie en het gebruik van proefdieren zou moeten heroverwegen en aanpassen?

De ontwikkelingen rond genome-editing en genetische modificatie bij dieren vinden hoofdzakelijk buiten Europa plaats. Gedurende het tweedaagse symposium hebben sprekers uit onder meer China, Australië, Uruguay en de Verenigde Staten de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen besproken en toegelicht. Daarnaast zijn de ethische en maatschappelijke consequenties van de ontwikkelingen verkend en de mogelijke implicaties voor governance van de ontwikkelingen besproken. Het symposium dient als input voor een COGEM signalering over genome-editing in dieren dat in de loop van 2018 gepubliceerd zal worden.