Onderzoek ter verbetering van veiligheid voor mens en milieu

COGEM onderzoeksprojecten

In 2017 zijn drie in opdracht van de COGEM opgestelde onderzoeksrapporten afgerond en een viertal onderzoeksprojecten opgestart waarvan de resultaten in 2018 verwacht worden. Daarnaast heeft de COGEM een verkenning laten uitvoeren naar de stand van zaken in de bio-nanotechnologie door middel van interviews met wetenschappers.

Onderzoek

Twee van de afgeronde onderzoeksprojecten richtten zich op mogelijke risico’s van laboratoriumexperimenten met ggo’s. In het eerste project is gekeken naar de mogelijke pathogeniteit van 13 schimmels. Deze schimmels waren in een eerder onderzoeksproject naar bewaarziekten geïdentificeerd als mogelijk ziekteverwekkend. Tien van de schimmels bleken inderdaad pathogeen te zijn voor planten, schimmels, nematoden of arthropoden. De COGEM heeft naar aanleiding van deze bevindingen haar lijsten met overzichten van pathogene en apathogene schimmels aangepast en het ministerie van IenW geadviseerd om deze wijzigingen over te nemen.

Het andere project betrof een inventarisatie van de beschikbare informatie over de aard van zogenaamde aggregerende eiwitten en de mogelijke risico’s die de werkzaamheden met deze eiwitten met zich meebrengen. Veel ongeneeslijke ziekten van het centraal zenuwstelsel gaan gepaard met ophoping of aggregatie van bepaalde eiwitten in de hersenen. Dit zijn lichaamseigen eiwitten die niet correct gevouwen worden, aggregeren in de cel en een ‘seed’ vormen waaraan meerdere moleculen van hetzelfde eiwit kunnen binden die ook een verkeerde vouwing aannemen, waardoor het aggregatieproces zich steeds verder verspreidt. Onderzoekers hebben de zorg geuit dat deze aggregerende eiwitten mogelijk infectieus zijn. Daarom heeft de COGEM de bestaande kennis over deze eiwitten laten inventariseren en de mogelijke risico’s in kaart gebracht. Aan de hand van het onderzoek concludeerde de COGEM dat het niet uitgesloten is dat laboratoriummedewerkers die blootgesteld worden aan een aggregerend eiwit door inhalatie of prikincidenten hiervan nadelige effecten kunnen ondervinden. Echter er zijn geen aanwijzingen dat een besmette medewerker het eiwit of de geassocieerde ziekte vervolgens naar derden kan overdragen. Daarom zijn bij werkzaamheden met aggregerende eiwitten mogelijk aanvullende maatregelen noodzakelijk om de veiligheid van de betrokken laboratoriummedewerkers te waarborgen. Veiligheid voor medewerkers valt echter niet onder de ggo-regelgeving maar onder de Arbowet.

Het derde project richtte zich op verbetering van de milieurisicoanalyse bij aanvragen voor teelt- van insectenresistente gg-gewassen. Bij dergelijke vergunningaanvragen wordt onder meer gekeken naar mogelijke effecten van het gewas op zogenaamde niet-doelwitorganismen (alle andere organismen dan het plaaginsect waartegen de resistentie is gericht). Niet-doelwitorganismen, zoals vlinders, zouden door pollendepositie blootgesteld kunnen worden aan de Bt-toxines die door de gg-planten worden geproduceerd. De EFSA hanteert bij insectenresistente gg-mais een theoretisch rekenmodel om mogelijke risico’s voor niet-doelwitvlinderachtigen in kaart te brengen. Hierbij wordt uitgegaan van een theoretische zeer gevoelige vlindersoort die voor zijn voortbestaan afhankelijk is van de maïsakker of de akkerrand. Op basis van dit rekenmodel adviseert de EFSA isolatieafstanden aan te houden indien het areaal gg-mais een bepaald percentage overschrijdt. Onduidelijk is of dergelijke vlindersoorten daadwerkelijk bestaan. Daarom heeft de COGEM laten onderzoeken of er vlinderachtigen in Nederland (anders dan plaaginsecten) zijn die afhankelijk zijn van hun voortbestaan van akkers en akkerranden. De conclusies van het onderzoek waren dat er enerzijds geen vlindersoorten in Nederland zijn die voor hun overleving grotendeels afhankelijk zijn van akkers en akkerranden. Anderzijds kan gezien de bedreigde status van vlindersoorten in Nederland elke verzwaring van bestaande drukfactoren leiden tot versterkte achteruitgang van vlinderpopulaties. Uit het onderzoek kwamen drie vlindersoorten naar voren die het meest geschikt zijn om als representatieve soorten gebruikt te worden voor laboratoriumexperimenten, ter vervanging van het nu gehanteerde theoretische rekenmodel.

Verkenningen

De COGEM beschouwt het verkennen van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen die een link hebben met genetische modificatie als een van haar kerntaken. Eén van de nieuwe wetenschapsvelden is de bio-nanotechnologie. De interesse van de COGEM voor dit onderzoeksveld komt voort uit het debat dat ca. tien jaar geleden ontstond over de mogelijke risico’s die verbonden zouden zijn aan bio-nanotechnologie doordat er ongecontroleerd replicerende nanosystemen zouden kunnen ontstaan. Dit soort verkenningen vraagt soms om een andere aanpak dan die van wetenschappelijke onderzoeksprojecten en het opstellen van een advies of signalering. Een journaliste heeft daarom in opdracht van de COGEM tien vooraanstaande wetenschappers geïnterviewd over wat de laatste ontwikkelingen zijn op het gebied van de bio-nanotechnologie. Deze interviews bieden een boeiende inkijk in dit onderzoeksveld. De afgelopen jaren zijn er grote stappen gemaakt in het begrijpen van hoe de cel en de cellulaire mechanismen werken, en in de ontwikkeling van een artificiële cel en zelf-assemblerende systemen. Zelfreplicerende nanosystemen die zich zouden kunnen verspreiden, zijn echter vooralsnog niet in zicht en de ontwikkelingen geven geen reden om thans nieuwe risico’s voor mens of milieu te veronderstellen. Wel blijkt bio-nanotechnologie een fascinerend onderzoeksveld met grote potentie, dat zich zeer snel ontwikkelt.